Waarom een nationale diabetes agenda?
In Nederland krijgen elke week bijna 1.000 mensen te horen dat zij diabetes hebben. De impact daarvan is groot, voor henzelf én voor de maatschappij. Van een verminderde levensverwachting en kans op ernstige complicaties tot hoge maatschappelijke kosten.
Er zijn veel verschillende organisaties die zich bezighouden met diabetes. Denk aan onderzoeksinitiatieven, zorgpaden, preventieprogramma’s, commerciële aanbieders en groepen die patiënten vertegenwoordigen. Ondanks de inspanningen van al deze organisaties blijft het aantal mensen met diabetes en de problemen die daarbij horen toenemen. Dit laat zien hoe belangrijk samenwerking is, ook buiten het eigen vakgebied. Die samenwerking is lastig, omdat partijen verschillende belangen hebben. Elke organisatie werkt vaak vanuit eigen taken en verantwoordelijkheden, eigen geldstromen en eigen regels. Daarom moeten we anders kijken, anders durven en anders doen.
Alleen samen kunnen we de impact van diabetes op mens en maatschappij in Nederland verminderen: met de nationale diabetes agenda.
Met deze agenda komen we in actie om de impact van diabetes in Nederland te verminderen. In co-creatie met het hele diabetesveld formuleren we doelen binnen vier bouwblokken: voorkomen, genezen, beter leven en beter behandelen. Door gezamenlijk te bepalen waar we de komende tien jaar onze energie en middelen op richten, bouwen we aan een toekomst waarin diabetes minder impact heeft en hopelijk zelfs kan worden voorkomen of genezen.
De mens
51.000 Nederlanders per jaar horen dat ze diabetes hebben. Dat zijn bijna 1.000 mensen per week.
Jongeren
Naar schatting zijn er 10.000 kinderen tussen de 0 en 19 jaar met diabetes type 1 en meer dan 1.000 tieners met diabetes type 2.
Levensverwachting
De levensverwachting van mensen ouder dan 45 jaar met type 1 is gemiddeld dertien jaar lager en voor type 2 gemiddeld vier jaar lager dan voor mensen zonder diabetes.
Sociaaleconomische positie
Mensen met een lage sociaaleconomische positie (SEP) hebben vaker diabetes type 2 (11,2%) dan mensen met een hoge SEP (4,3%).